De lens en het diafragma
De drie belangrijkste regelorganen aan het lenssysteem van een camera zijn de instellingen van de sluitersnelheid, de diafragma-instelling waarmee de lensopening wordt geregeld, en de afstandschaal als hulpmiddel bij het scherpstellen. De instelling voor de sluitersnelheid bevindt zich veelal op het camerahuis, maar toch ook wel aan het lensmontuur. Gewoonlijk zijn de instelorganen voor diafragma en afstand uitgevoerd als ringen rond de lenstubus. Elke ring kan binnen zekere grenzen verdraaid worden en tegenover een bepaald punt afgelezen.
Belichting is een produkt van de toegelaten hoeveelheid licht tot de film (geregeld door het diafragma) en de tijd die het licht op een film mag inwerken (geregeld door de sluitersnelheid). Teneinde de belichting constant te houden, moet elke verandering van de lensopening vergezeld gaan van een relatieve verandering van de sluitertijd en omgekeerd. De meest voorkomende sluitertijden worden in seconden aangeduid volgens deze reeks: 1/1, 1/2, 1/4, 1/15, 1/30, 1/60, 1/125, 1/250, 1/500, 1/1000, 1/2000, 1/4000. Afgezien van enkele kleine wiskundige afwijkingen betekent elke stap voor of terug op de schaal een halvering of verdubbeling van de sluitersnelheid.
De aanduidingen voor de lensopeningen verlopen volgens de internationaal aanvaarde reeks als volgt: f/1,4, f/2, f/2,8, f/4, f/5,6, f/8, f/11, f/16, f22, f32, f/45 en f/64. De grootste opening van een lens komt niet altijd in deze reeks voor (bijv. f/1,8 of f/3,5). De serie getallen vormt een strikt geometrische reeks, zodat bij elk volgend hoger f-getal de afmeting van de doorlaatopening wordt gehalveerd en daarmee de hoeveelheid binnenvallend licht.
De beide schalen van lensopening en sluitersnelheid staan daardoor voortdurend met elkaar in verband. Door de lensopening een stop te verstellen, wordt de tot de film toegelaten hoeveelheid licht gehalveerd of verdubbeld; de tijd gedurende welke het licht op de film kan inwerken, wordt overeenkomstig gewijzigd door de snelheidsinstellingen van de sluiter.
Zo kan bijv. een belichting van 1/125 sec. met f/16 nodig zijn, maar om bewegingsonscherpte te vermijden wordt de voorkeur aan 1/250 sec. gegeven. Om de juiste belichting te handhaven, moet bij deze kortere tijd de grotere opening f/11 gebruikt worden.
De afstandsschaal heeft betrekking op de afstand van het motief tot de camera.

Diafragmawaarde
Ieder type of maat lens, ingesteld op een bepaald diafragmagetal, brengt een beeld van nagenoeg dezelfde luminicentie over omdat de doorsnede van de opening in directe verhouding tot de brandpuntsafstand staat. Zo moet bijvoorbeeld een 80 mm lens die gebruikt wordt met een doorsnede van 5 mm op f/16 worden gezet.