VERHALEN EN ANECDOTES UIT DE 2DE WERELDOORLOG
VAN 1943 TOT EN MET 1945.
Door Albert Kupers (20-09-1933). Gieterveen, 26 februari 2025.
Wij waren een gezin van vader, moeder en 4 broers en woonden op Tjassenswijk 6 te Gieterveen. De familie was zeer meelevend in de buurtschap de Hilte-Tjassenswijk en een gedeelte van de Veenakkers. Mijn moeder runde een buurtwinkel en mijn vader een landbouwbedrijf. Onze naaste buren waren Jan en Martha en hun twee kinderen. We liepen dagelijks bij elkaar in en uit. Buurman Jan was door de slechte economische tijden lid geworden van de N.S.B., maar heeft zich verder tijdens de oorlog gedragen als ieder fatsoenlijk burger en niemand iets aangedaan. Dit lidmaatschap werd waarschijnlijk ingegeven door enkele van zijn broers, die ook actief waren in de beruchte landwacht en door de propaganda van Hitler. Mijn oudste broer, geboren in 1922, was min of meer gehandicapt aan één voet. Hierdoor was hij afgekeurd voor alle werkzaamheden voor de Duitsers. Het bewijs hiervan droeg hij dagelijks bij zich (persoonsbewijs).
Ondergedoken.
Mijn een-na-oudste broer werd in 1943 18 jaar en werd vanaf zijn verjaardag opgeroepen voor werken voor de Duitsers. Hij is die dag wel vertrokken van huis, maar met 'onbekende bestemming', De nacht daarop kregen we huiszoekers op bezoek. Hierbij waren wel een goedwillende politie en daarnaast N.S.B. landwachters voornamelijk uit eigen dorp aanwezig. Na veel gebonk op de deur deed mijn moeder open. Mijn ouders waren echter al getipt dat dit stond te gebeuren. Mijn oudere broes werden gesommeerd om in de voorkamer met de rug tegen de muur te gaan staan met een bekende dorpsgenoot als landwachter met het geweer in aanslag hen in de gaten houdend. Onze evacué uit Amsterdam en ik mochten in de bedstee blijven liggen (beide 10 jaar oud). We konden wel zien wat zich in de kamer afspeelde. Na niets gevonden te hebben, hebben ze ons huis daarna weer verlaten.
Op school.
Op school waren er 2x zoveel leerlingen als normaal. Kinderen uit de hongerwintergebieden, zoals Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en enkele uit Zuid Nederland bevolkten ook onze klassen. Als de bommenwerpers naar Duitsland overvlogen moesten we allemaal onder de banken kruipen. Onze onderwijzer was te groot voor de kinderbankjes en stootte toen met zijn rug tegen de ingebouwde inktpotjes en werd toen besmeurd met de inkt. Wij durfden niet te lachen.
José van Doren (13 jaar).
Een van onze klasgenoten ging op een middag met 2 vrouwen uit het dorp naar Gieten. Op de Bonnerdijk bij de lichtmasten werden ze beschoten door een Engels jachtvliegtuig. De beide vrouwen werden niet geraakt, maar José raakte zwaar gewond. Volgens de beide andere dames passeerde daarna een landwachter, maar die is doorgereden. Een van de vrouwen is daarna doorgereden naar Gieten om hulp te halen terwijl de andere bij José bleef. Vervolgens kwamen er mensen uit Gieten met een ladder en hebben haar daarop gelegd en naar het dorp gedragen. Daar heeft dokter Meeuwes sr. Eerste hulp verleend en daarna is ze per auto naar het ziekenhuis in Assen gebracht. Daar is ze rond 12 april overleden. Op die dag is Assen bevrijd en in de tijd daarna is nooit bekend geworden waar José is begraven. Ook niet, nadat officiële instanties ernaar hebben geïnformeerd.
De inwendige mens.
In de oorlogsjaren mochten de mensen, die normaal aan huisslachting deden, één varken per jaar slachten. Doordat mijn oudste broer een vrijstelling had, kon hij zich overal bewegen en hij had vele contacten in de omgeving. Op die manier bezorgde hij voor diverse personen een veilig onderkomen. Daardoor kwamen er bij ons nogal vaak personen over de vloer, die bleven eten en slapen. Daarvoor was één varken per jaar onvoldoende. Mijn ouders besloten daarom om een big van een zeug niet te registreren. Dit biggetje is als 'onderduiker' groot geworden. Toen het officiële varkentje werd geslacht, was ook de tijd aangebroken voor het illegale varken. Daarvoor kwam mijn oom uit Onstwedde, die ook huisslachter was, om dit varkentje te slachten. Dit alles in een hok van stropakken om het geluid te isoleren. De dag erna kwam een officiële keurmeester om het officiële varkentje met stempels te bewerken als bewijs. Het stempel bestond uit de letters 'HS' (huisslachting) die omcirkeld waren en werd op diverse plaatsen op het lichaam afgedrukt. Toen hij daarmee klaar was vroeg mijn moeder hem of hij een kop koffie, of wat daarvoor doorging, lustte. Tijdens dat koffiedrinken hebben onze evacué en ik (Mink Ferwerda) zijn stempel even geleend om het illegale varken ook van stempels te voorzien. De keurmeester had dit alles bewust of onbewust op de haverkist bij de paardenstal laten liggen. Daarna hoefde de verdere verwerking van dit varken niet meer in het geheim plaats te hebben, want het was voorzien van alle stempels. Daarna had de verdere verwerking van de varkens plaats. Hierbij waren 2 buurvrouwen behulpzaam. Mijn moeder had vooraf, zo goed en zo kwaad als het ging, een van de dubbele organen van het geheel verwijderd, zodat het leek alsof het één varken betrof. Echter opeens maakte één van de vrouwen de volgende opmerking: 'Tannie Kupers, had dat swien twei steerten?'. Mijn moeder had een van de staarten over het hoofd gezien. Deze opmerking werd in onze familie nog jaren gebruikt als er iets onverklaarbaars plaatsvond.
Al of niet saboterende Duitse troepen.
Op de weg van Assen naar Veendam was het de laatste dagen vaak eenrichtingverkeer van verloederde Duitse soldaten. Dit zowel lopend, fietsend of op wagens richting de Duitse grens. Op een avond tegen 5 uur kwam er bij ons een groepje van + 15 personen binnen en eiste overnachting in de schuur. De leiding bestond uit een 'Feldwebel' wiens enthousiasme voor het onoverwinnelijke Duitse leger al lang was verdwenen. Hij was een dienstplichtige boerenzoon uit de grensstreek en praatte naast Hoogduits ook het voor ons verstaanbare Platduits. Zijn vertrouwen in Hitler was, als het er ooit was geweest, reeds lang verdwenen. Hij vertelde met tranen in de ogen over zijn familie, waarvan hij de laatste maanden niet meer had vernomen. Mijn vader is de hele nacht actief gebleven om te voorkomen dat er in de schuur rare dingen gebeurden. De volgende morgen eiste de groep een paard en wagen op om daarmee verder te gaan. Mijn broer had dit echter voorzien. Hij had de avond ervoor het kerngezonde paard een jute zak om een been gewikkeld en met touw zo vast geknoopt, dat het paard kreupel ging lopen. Dit alles besprenkeld met een vieze vloeistof. Mijn vader antwoordde dan ook, dat niet aan de eis kon worden voldaan en zei: 'Pferd ist krank'. Na het zwaar gehavende been te hebben gezien, alsmede de kreupele gang, zagen ze af van de eis en zijn lopend vertrokken. Daarna is het paard 'uit zijn lijden verlost' door de jute zak te verwijderen.
De bus.
Op een namiddag naderde er op de met grote bomen begrensde weg vanaf Veendam een lege Duitse bus. Op hetzelfde moment ontdekten we, aan het geluid te horen, een geallieerd jachtvliegtuig, dat zich ook meteen weer verwijderde. Toen de bus de bewoning rond De Hilte was gepasseerd kwam het vliegtuig plotseling weer tevoorschijn en gaf de bus een volle laag mitrailleurvuur. De chauffeur van de bus kon zich redden door snel in een van de mangaten langs de weg te vluchten. Op de bus zat echter iemand als uitkijkpost. Deze had een te lange vluchtweg en is daar ter plaatse gesneuveld. De uitgebrande bus heeft daar nog maanden gestaan. Dit mede doordat het wegslepen in de laatste oorlogsdagen en de daarop volgende vrijheid niet de hoogste prioriteit had.
De buren.
Zoals al is vermeld waren Jan en Martha onze buren. Daarmee hadden we een bijzonder goede verhouding en hadden dagelijks vele contacten door een paadje door de sloot. We hadden een vaag vermoeden, dat Jan lid was van de N.S.B.. maar hadden het vaste vertrouwen, dat hij dat nooit tegen ons zou gebruiken. Mijn broer was ondergedoken op het vrij grote landbouwbedrijf van oom Geert en tante Hillegien in Sellingen. Daar was hij met een vals persoonsbewijs als Berend van der Velde als boerenknecht geregistreerd. Ook de buren noemden onze familie als oom Geert en tante Hillegien en waren daar in de loop der jaren ook mee bevriend geraakt. Echter alleen mijn ouders wisten het onderduikadres van mijn broer Berend (Bé). Wij (Mink, de evacué, en ik) zouden door de mand kunnen vallen als we er over werden ondervraagd. Na de bevrijding zei Martha, dat ze altijd wel hadden vermoed dat Bé daar was ondergedoken, want mijn ouders gingen vaker naar Sellingen dan vóór 1943.
De bevrijding.
Op 13 april 1945 zagen we vanuit richting Gieten in Gieterzandvoort verschillende voertuigen zich bewegen richting De Hilte. Dichterbij komend zagen we ook, dat sommigen de kleur oranje droegen en toen werd het ons duidelijk, dat onze bevrijders eraan kwamen. Ondertussen waren ook een aantal personen uit Bonnerveen en het dorpscentrum dwars door de landerijen op een draf richting De Hilte gekomen. Bij café De Hilte werd gestopt en werden de tanksvooruit gestuurd om de omgeving van de bruggen te Bareveld te beschieten. Hierbij werd toen de boerderij van de fam. Vrieze bij de brug naar Stadskanaal en kleding Sijpkes in brand gestoken. De familie Sijpkes had vooraf de gevel 'beschermd' tegen geweervuur door er stropakken voor te plaatsen. Onze bevrijders, Engelsen en Canadezen, trakteerden op sigaretten en andere producten waarvan men daarvoor alleen had gedroomd.
Toch nog een zwarte bladzijde.
Na de bevrijding werden alle mannen, die lid waren van de N.S.B., opgepakt en naar Westerbork afgevoerd. Dit ongeacht hun gedragingen in de oorlog. Zo werd Jn, onze buurman, opgepakt. Enkel vanwege zijn lidmaatschap verhuisd naar Westerbork. Ook een bevriend gezin uit onze buurt onderging eenzelfde lot. De vrouwen en hun kinderen bleven gehavend achter. Een aantal personen, die in de oorlog te bang waren om hun nek uit te steken, zagen nu hun kans schoon om zich te verrijken met de spullen van deze bevolkingsgroep. Kelders met weckflessen en andere levensmiddelen werden leeggeroofd. Dit zonder dat het gezag daar iets tegen ondernam.
Weer thuis.
Zo spoedig mogelijk na de bevrijding kwam mijn broer Bé terug van zijn onderduikadres. Ook vanwege het werk op de boerderij kwam dat goed uit, want mijn vader nam tijdelijk de landbouwwerkzaamheden over van onze buurman, die tijdelijk in kamp Westerbork gevangen zat. Na zijn thuiskomst is broer Bé nog een half jaar werkzaam geweest op het ouderlijk bedrijf. Daarna is hij opgeroepen als dienstplichtige om toen na weer een half jaar naar Indië te vertrekken voor een zinloze oorlog. Na 3,5 jaar kwam hij terug. Uiteindelijk is hem vanaf 1943 (18 jaar) tot 1949 zijn vrijheid ontnomen door oorlogen.
Door Albert Kupers (20-09-1933). Gieterveen, 26 februari 2025.
Wij waren een gezin van vader, moeder en 4 broers en woonden op Tjassenswijk 6 te Gieterveen. De familie was zeer meelevend in de buurtschap de Hilte-Tjassenswijk en een gedeelte van de Veenakkers. Mijn moeder runde een buurtwinkel en mijn vader een landbouwbedrijf. Onze naaste buren waren Jan en Martha en hun twee kinderen. We liepen dagelijks bij elkaar in en uit. Buurman Jan was door de slechte economische tijden lid geworden van de N.S.B., maar heeft zich verder tijdens de oorlog gedragen als ieder fatsoenlijk burger en niemand iets aangedaan. Dit lidmaatschap werd waarschijnlijk ingegeven door enkele van zijn broers, die ook actief waren in de beruchte landwacht en door de propaganda van Hitler. Mijn oudste broer, geboren in 1922, was min of meer gehandicapt aan één voet. Hierdoor was hij afgekeurd voor alle werkzaamheden voor de Duitsers. Het bewijs hiervan droeg hij dagelijks bij zich (persoonsbewijs).
Ondergedoken.
Mijn een-na-oudste broer werd in 1943 18 jaar en werd vanaf zijn verjaardag opgeroepen voor werken voor de Duitsers. Hij is die dag wel vertrokken van huis, maar met 'onbekende bestemming', De nacht daarop kregen we huiszoekers op bezoek. Hierbij waren wel een goedwillende politie en daarnaast N.S.B. landwachters voornamelijk uit eigen dorp aanwezig. Na veel gebonk op de deur deed mijn moeder open. Mijn ouders waren echter al getipt dat dit stond te gebeuren. Mijn oudere broes werden gesommeerd om in de voorkamer met de rug tegen de muur te gaan staan met een bekende dorpsgenoot als landwachter met het geweer in aanslag hen in de gaten houdend. Onze evacué uit Amsterdam en ik mochten in de bedstee blijven liggen (beide 10 jaar oud). We konden wel zien wat zich in de kamer afspeelde. Na niets gevonden te hebben, hebben ze ons huis daarna weer verlaten.
Op school.
Op school waren er 2x zoveel leerlingen als normaal. Kinderen uit de hongerwintergebieden, zoals Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en enkele uit Zuid Nederland bevolkten ook onze klassen. Als de bommenwerpers naar Duitsland overvlogen moesten we allemaal onder de banken kruipen. Onze onderwijzer was te groot voor de kinderbankjes en stootte toen met zijn rug tegen de ingebouwde inktpotjes en werd toen besmeurd met de inkt. Wij durfden niet te lachen.
José van Doren (13 jaar).
Een van onze klasgenoten ging op een middag met 2 vrouwen uit het dorp naar Gieten. Op de Bonnerdijk bij de lichtmasten werden ze beschoten door een Engels jachtvliegtuig. De beide vrouwen werden niet geraakt, maar José raakte zwaar gewond. Volgens de beide andere dames passeerde daarna een landwachter, maar die is doorgereden. Een van de vrouwen is daarna doorgereden naar Gieten om hulp te halen terwijl de andere bij José bleef. Vervolgens kwamen er mensen uit Gieten met een ladder en hebben haar daarop gelegd en naar het dorp gedragen. Daar heeft dokter Meeuwes sr. Eerste hulp verleend en daarna is ze per auto naar het ziekenhuis in Assen gebracht. Daar is ze rond 12 april overleden. Op die dag is Assen bevrijd en in de tijd daarna is nooit bekend geworden waar José is begraven. Ook niet, nadat officiële instanties ernaar hebben geïnformeerd.
De inwendige mens.
In de oorlogsjaren mochten de mensen, die normaal aan huisslachting deden, één varken per jaar slachten. Doordat mijn oudste broer een vrijstelling had, kon hij zich overal bewegen en hij had vele contacten in de omgeving. Op die manier bezorgde hij voor diverse personen een veilig onderkomen. Daardoor kwamen er bij ons nogal vaak personen over de vloer, die bleven eten en slapen. Daarvoor was één varken per jaar onvoldoende. Mijn ouders besloten daarom om een big van een zeug niet te registreren. Dit biggetje is als 'onderduiker' groot geworden. Toen het officiële varkentje werd geslacht, was ook de tijd aangebroken voor het illegale varken. Daarvoor kwam mijn oom uit Onstwedde, die ook huisslachter was, om dit varkentje te slachten. Dit alles in een hok van stropakken om het geluid te isoleren. De dag erna kwam een officiële keurmeester om het officiële varkentje met stempels te bewerken als bewijs. Het stempel bestond uit de letters 'HS' (huisslachting) die omcirkeld waren en werd op diverse plaatsen op het lichaam afgedrukt. Toen hij daarmee klaar was vroeg mijn moeder hem of hij een kop koffie, of wat daarvoor doorging, lustte. Tijdens dat koffiedrinken hebben onze evacué en ik (Mink Ferwerda) zijn stempel even geleend om het illegale varken ook van stempels te voorzien. De keurmeester had dit alles bewust of onbewust op de haverkist bij de paardenstal laten liggen. Daarna hoefde de verdere verwerking van dit varken niet meer in het geheim plaats te hebben, want het was voorzien van alle stempels. Daarna had de verdere verwerking van de varkens plaats. Hierbij waren 2 buurvrouwen behulpzaam. Mijn moeder had vooraf, zo goed en zo kwaad als het ging, een van de dubbele organen van het geheel verwijderd, zodat het leek alsof het één varken betrof. Echter opeens maakte één van de vrouwen de volgende opmerking: 'Tannie Kupers, had dat swien twei steerten?'. Mijn moeder had een van de staarten over het hoofd gezien. Deze opmerking werd in onze familie nog jaren gebruikt als er iets onverklaarbaars plaatsvond.
Al of niet saboterende Duitse troepen.
Op de weg van Assen naar Veendam was het de laatste dagen vaak eenrichtingverkeer van verloederde Duitse soldaten. Dit zowel lopend, fietsend of op wagens richting de Duitse grens. Op een avond tegen 5 uur kwam er bij ons een groepje van + 15 personen binnen en eiste overnachting in de schuur. De leiding bestond uit een 'Feldwebel' wiens enthousiasme voor het onoverwinnelijke Duitse leger al lang was verdwenen. Hij was een dienstplichtige boerenzoon uit de grensstreek en praatte naast Hoogduits ook het voor ons verstaanbare Platduits. Zijn vertrouwen in Hitler was, als het er ooit was geweest, reeds lang verdwenen. Hij vertelde met tranen in de ogen over zijn familie, waarvan hij de laatste maanden niet meer had vernomen. Mijn vader is de hele nacht actief gebleven om te voorkomen dat er in de schuur rare dingen gebeurden. De volgende morgen eiste de groep een paard en wagen op om daarmee verder te gaan. Mijn broer had dit echter voorzien. Hij had de avond ervoor het kerngezonde paard een jute zak om een been gewikkeld en met touw zo vast geknoopt, dat het paard kreupel ging lopen. Dit alles besprenkeld met een vieze vloeistof. Mijn vader antwoordde dan ook, dat niet aan de eis kon worden voldaan en zei: 'Pferd ist krank'. Na het zwaar gehavende been te hebben gezien, alsmede de kreupele gang, zagen ze af van de eis en zijn lopend vertrokken. Daarna is het paard 'uit zijn lijden verlost' door de jute zak te verwijderen.
De bus.
Op een namiddag naderde er op de met grote bomen begrensde weg vanaf Veendam een lege Duitse bus. Op hetzelfde moment ontdekten we, aan het geluid te horen, een geallieerd jachtvliegtuig, dat zich ook meteen weer verwijderde. Toen de bus de bewoning rond De Hilte was gepasseerd kwam het vliegtuig plotseling weer tevoorschijn en gaf de bus een volle laag mitrailleurvuur. De chauffeur van de bus kon zich redden door snel in een van de mangaten langs de weg te vluchten. Op de bus zat echter iemand als uitkijkpost. Deze had een te lange vluchtweg en is daar ter plaatse gesneuveld. De uitgebrande bus heeft daar nog maanden gestaan. Dit mede doordat het wegslepen in de laatste oorlogsdagen en de daarop volgende vrijheid niet de hoogste prioriteit had.
De buren.
Zoals al is vermeld waren Jan en Martha onze buren. Daarmee hadden we een bijzonder goede verhouding en hadden dagelijks vele contacten door een paadje door de sloot. We hadden een vaag vermoeden, dat Jan lid was van de N.S.B.. maar hadden het vaste vertrouwen, dat hij dat nooit tegen ons zou gebruiken. Mijn broer was ondergedoken op het vrij grote landbouwbedrijf van oom Geert en tante Hillegien in Sellingen. Daar was hij met een vals persoonsbewijs als Berend van der Velde als boerenknecht geregistreerd. Ook de buren noemden onze familie als oom Geert en tante Hillegien en waren daar in de loop der jaren ook mee bevriend geraakt. Echter alleen mijn ouders wisten het onderduikadres van mijn broer Berend (Bé). Wij (Mink, de evacué, en ik) zouden door de mand kunnen vallen als we er over werden ondervraagd. Na de bevrijding zei Martha, dat ze altijd wel hadden vermoed dat Bé daar was ondergedoken, want mijn ouders gingen vaker naar Sellingen dan vóór 1943.
De bevrijding.
Op 13 april 1945 zagen we vanuit richting Gieten in Gieterzandvoort verschillende voertuigen zich bewegen richting De Hilte. Dichterbij komend zagen we ook, dat sommigen de kleur oranje droegen en toen werd het ons duidelijk, dat onze bevrijders eraan kwamen. Ondertussen waren ook een aantal personen uit Bonnerveen en het dorpscentrum dwars door de landerijen op een draf richting De Hilte gekomen. Bij café De Hilte werd gestopt en werden de tanksvooruit gestuurd om de omgeving van de bruggen te Bareveld te beschieten. Hierbij werd toen de boerderij van de fam. Vrieze bij de brug naar Stadskanaal en kleding Sijpkes in brand gestoken. De familie Sijpkes had vooraf de gevel 'beschermd' tegen geweervuur door er stropakken voor te plaatsen. Onze bevrijders, Engelsen en Canadezen, trakteerden op sigaretten en andere producten waarvan men daarvoor alleen had gedroomd.
Toch nog een zwarte bladzijde.
Na de bevrijding werden alle mannen, die lid waren van de N.S.B., opgepakt en naar Westerbork afgevoerd. Dit ongeacht hun gedragingen in de oorlog. Zo werd Jn, onze buurman, opgepakt. Enkel vanwege zijn lidmaatschap verhuisd naar Westerbork. Ook een bevriend gezin uit onze buurt onderging eenzelfde lot. De vrouwen en hun kinderen bleven gehavend achter. Een aantal personen, die in de oorlog te bang waren om hun nek uit te steken, zagen nu hun kans schoon om zich te verrijken met de spullen van deze bevolkingsgroep. Kelders met weckflessen en andere levensmiddelen werden leeggeroofd. Dit zonder dat het gezag daar iets tegen ondernam.
Weer thuis.
Zo spoedig mogelijk na de bevrijding kwam mijn broer Bé terug van zijn onderduikadres. Ook vanwege het werk op de boerderij kwam dat goed uit, want mijn vader nam tijdelijk de landbouwwerkzaamheden over van onze buurman, die tijdelijk in kamp Westerbork gevangen zat. Na zijn thuiskomst is broer Bé nog een half jaar werkzaam geweest op het ouderlijk bedrijf. Daarna is hij opgeroepen als dienstplichtige om toen na weer een half jaar naar Indië te vertrekken voor een zinloze oorlog. Na 3,5 jaar kwam hij terug. Uiteindelijk is hem vanaf 1943 (18 jaar) tot 1949 zijn vrijheid ontnomen door oorlogen.
